Programmeren in het basisonderwijs: waar begin je als school?

Programmeren in het basisonderwijs: waar begin je als school?

Programmeren in het basisonderwijs begint vaak op een onverwachte plek. Stel je voor: in de gymzaal besturen de leerlingen van groep 4 elkaar met pijlkaartjes. Twee stappen vooruit, kwartslag naar rechts, één stap vooruit. Een leerling loopt tegen de mat, de klas lacht, en een jongen roept: “Je moet eerst draaien en dan pas lopen!” Niemand noemt het woord, maar groep 4 is aan het debuggen: een fout in een programma opsporen en herstellen.

Twee verdiepingen hoger bouwt groep 7 in Scratch een spelletje waarin een kat muizen vangt. Een paar leerlingen ontdekken dat ze met één herhaalblok twintig regels code kunnen vervangen.

Het zijn twee sterke lessen, maar ze staan nog niet op dezelfde lijn. De leerkracht van groep 7 weet niet dat haar leerlingen drie jaar eerder al algoritmes liepen, en wat daartussen gebeurt, weet niemand precies. Daar ligt je kans als ICT-coördinator of i-coach. Het meeste materiaal staat al in de kast of op de laptop. Wat je toevoegt, is de volgorde.

In dit artikel nemen we je mee langs wat de kerndoelen onder programmeren verstaan, waarom denken vóór code komt, en vier stappen om een leerlijn programmeren op te zetten die doorloopt van groep 1 tot en met 8.

Wat de kerndoelen onder programmeren verstaan

Programmeren is een van de negen onderdelen van de kerndoelen digitale geletterdheid. Het valt onder het domein Ontwerpen en maken en heeft in het primair onderwijs het nummer 23B. De kerndoeltekst luidt: “De leerling programmeert een computerprogramma met behulp van computationele denkstrategieën.” [1]

De SLO werkt dat uit in vijf punten [1]:

  • experimenteren met code;
  • de taak en het doel van een computerprogramma beschrijven;
  • het algoritme bij een taak ontwerpen en schematisch weergeven;
  • programmeerconcepten gebruiken: invoer en uitvoer, variabelen, operatoren, herhaling en controlestructuren;
  • een eigen programma of dat van een ander testen en bijstellen.

Let op wat er niet staat: geen programmeertaal, geen robot, geen aantal lesuren. De kerndoelen beschrijven wat leerlingen aan het eind van de basisschool kunnen. Hoe je daar komt, laat de SLO uitdrukkelijk aan jou: “Hoe de school invulling geeft aan het onderwijsaanbod, pedagogiek en didactiek is aan de school zelf.” [1]

De kerndoelen gaan in op 1 augustus 2027 [2]. Het hele domein vind je op onze pagina over het kerndoel Ontwerpen en maken.

Denken komt vóór code

Kijk nog eens naar de kerndoeltekst: programmeren gebeurt “met behulp van computationele denkstrategieën”. Code schrijven komt dus pas aan het eind. Een probleem opknippen in kleine stappen, een patroon herkennen, een oplossing zo precies beschrijven dat een ander (of een computer) hem kan uitvoeren: dat is het denkwerk waar programmeren op rust. Hoe je dat in de klas aanpakt, lees je in ons artikel over computational thinking.

Daar valt winst te halen. In het internationale peilingsonderzoek ICILS 2023 halen Nederlandse leerlingen bij computationeel denken gemiddeld wel het basisniveau, maar ze scoren lager dan bijna alle andere OESO-landen [3]. Die meting is gedaan in de tweede klas van het voortgezet onderwijs. De basis voor dat denkwerk leg je eerder, in het basisonderwijs, onder meer met programmeren.

Werkt jouw school nog met de vier kwadranten van het oude model, waarin computational thinking een eigen domein was? Dan hoef je niet opnieuw te beginnen. De SLO schrijft zelf: “Het is goed je te realiseren dat voor onderwijs in digitale geletterdheid het niet van belang is volgens welk model je inhouden of doelen indeelt.” [4] Wat je al doet aan computational thinking, is bruikbaar bouwmateriaal voor kerndoel 23B.

Waar begin je? Vier stappen naar een leerlijn programmeren

1. Breng in kaart wat er al gebeurt

Begin met een rondgang langs de groepen, nog voordat je naar een methode kijkt. Welke leerkracht doet al iets met programmeren, met welk materiaal, en in welke groep? Vraag ook naar wat niet als programmeren voelt: een routebeschrijving schrijven bij taal, een patroon voortzetten bij rekenen, een stappenplan voor het handen wassen bij de kleuters. Leg wat je vindt naast de vijf punten van 23B.

Het resultaat is meestal een lappendeken: een paar enthousiaste leerkrachten, een aantal groepen waar nog weinig gebeurt, en materiaal dat nooit uit de doos komt. Dat is geen slecht nieuws. Het is een vertrekpunt waarvan je precies weet waar het zit.

2. Bepaal per bouw wat leerlingen leren

Bij programmeren op de basisschool is de verleiding groot om te beginnen met de vraag welke robot of welk programma je aanschaft. Draai het om: bepaal eerst wat leerlingen aan het eind van elke bouw kunnen. Het gereedschap volgt daarna.

Een leerlijn programmeren van groep 1 tot en met 8 als oplopende trap: groep 1 en 2 zetten opdrachten in de juiste volgorde en voeren ze uit, groep 3 tot en met 5 bedenken en tekenen een algoritme en herkennen herhaling, groep 6 tot en met 8 maken een eigen programma en testen en stellen het bij.

Een mogelijke opbouw, als voorbeeld en niet als voorschrift:

Per bouw passen daar bijvoorbeeld deze werkvormen bij:

Groepen Voorbeelden van werkvormen
1 en 2 Levend programmeren, stappenkaarten, een vloerrobot
3 tot en met 5 Pijlkaartjes, eenvoudige blokprogramma’s, fouten zoeken in de instructies van een ander
6 tot en met 8 Scratch, micro:bit, een eerste stap richting getypte code

Zo komt elk punt van 23B steeds terug, telkens op een hoger niveau. Testen en bijstellen begint al in de gymzaal van groep 4, en keert terug als de kat in groep 7 niet doet wat hij moet doen. Dat is het verschil tussen losse lessen en een leerlijn: leerlingen herkennen wat ze eerder leerden, en leerkrachten weten waarop ze voortbouwen.

3. Kies het gereedschap pas daarna

Aan materiaal is geen gebrek. De SLO verzamelt op één pagina ongeveer zestig tools en lespakketten voor computational thinking in het primair onderwijs, van unplugged werkbladen (opdrachten zonder computer) en vloerrobots tot Scratch en Hedy [5]. Een overzicht van de tools die wij zelf graag inzetten, vind je in ons artikel Leerlingen leren programmeren.

Met je doelen per bouw op papier wordt kiezen eenvoudiger. Je zoekt dan materiaal dat past bij een concreet doel in een concrete groep. Twee vragen helpen daarbij: kan elke leerkracht in die bouw dit geven, en sluit het aan op wat de groep ervoor en erna doet? Unplugged werkvormen verdienen daarbij een vaste plek, ook in de bovenbouw. Ze vragen geen apparaten en ze maken het denkwerk zichtbaar.

4. Zorg dat het hele team het kan geven

Een leerlijn is zo sterk als de leerkracht die hem op maandagochtend uitvoert. Bij programmeren is het verschil tussen leerkrachten in het basisonderwijs vaak groot: de één zet al robots in, de ander heeft nog nooit een regel code geschreven. Een leerlijn die leunt op die ene enthousiaste collega, valt om zodra die collega naar een andere groep gaat.

Begin daarom klein en samen. Laat het team tijdens een studiemiddag zelf een unplugged opdracht doen, zodat iedereen ervaart hoe het is om een fout in je eigen instructie te zoeken. Spreek per bouw één of twee lessen af die iedereen geeft, en breid pas uit als die staan. Het is werk, maar het is geen zoektocht: de stappen zijn bekend en je zet ze in een vaste volgorde.

Een eigen uur of verweven in andere vakken?

Die keuze ligt bij jouw school, want de kerndoelen schrijven geen vorm voor [1]. In de praktijk merken wij dat programmeren in het basisonderwijs het best beklijft als het niet alleen in een los uur zit. Laat een vloerrobot bij wereldoriëntatie een route rijden over de plattegrond van de wijk, en leerlingen zien dat programmeren een manier van denken is die overal van pas komt. Een vast moment in het rooster helpt tegelijk om nieuwe begrippen als variabelen en voorwaarden echt aan te leren, dus in onze ervaring werkt de combinatie het best.

Aan de slag met jouw leerlijn programmeren

Programmeren in het basisonderwijs vraagt geen losse robotles, maar een lijn van groep 1 tot en met 8. Zo krijgt elke leerling dezelfde basis, ongeacht in welke groep of bij welke leerkracht die zit. Die lijn bouw je niet in één keer, en je hoeft hem ook niet alleen te bouwen.

Wil je zelf beginnen? Download dan onze gratis vaardighedenkaart. Daarmee zet je stap voor stap een doorlopende leerlijn op, ook voor de andere onderdelen van digitale geletterdheid.

Wil je dat wij met je meebouwen? Dan ontwikkelen we samen een leerlijn op maat, afgestemd op de thema’s, methodes en materialen die jouw school al gebruikt. Meer over hoe wij basisscholen ondersteunen, lees je op onze pagina over digitale geletterdheid in het primair onderwijs.

Bronnen

[1] SLO (juli 2025). Definitieve conceptkerndoelen digitale geletterdheid, inclusief toelichtingsdocument. Enschede. slo.nl

[2] Kennisnet (15 september 2025, gewijzigd 5 maart 2026). Nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid. kennisnet.nl

[3] Expertisepunt digitale geletterdheid (bijgewerkt 10 februari 2026). Internationaal peilingsonderzoek digitale geletterdheid (ICILS 2023). expertisepuntdigitalegeletterdheid.nl

[4] SLO (gewijzigd 6 januari 2026). Van vier naar drie domeinen. slo.nl

[5] SLO (bijgewerkt 26 augustus 2026). Leermaterialen voor computational thinking in het primair onderwijs. slo.nl

In dit artikel

Weet je waar jouw school staat?

Doe de gratis nulmeting digitale geletterdheid. Je krijgt een helder beeld en concrete vervolgstappen.

Vond je het een interessante blog?

Schrijf je in en ontvang nieuwe blogs in je mailbox

Stuur ons een bericht

Vragen over digitale geletterdheid op jouw school, onze diensten of iets heel anders? Vul het formulier in, dan nemen we binnen twee werkdagen contact met je op.

Liever direct contact? Bel 020 215 7441 of mail naar info@codeerschool.nl. We zijn bereikbaar van maandag tot en met vrijdag, 9:00 tot 17:00 uur.

Andere relevante artikelen

Laat je inspireren en ontwikkelen met onze verhalen, informatie, tips en actualiteiten.

ICT-basisvaardigheden en digitale geletterdheid naast elkaar gelegd: twee termen voor overlappende dingen, weergegeven als twee spraakwolken
Thumbnail_waar-moet-je-op-letten
Wat is mediawijsheid: de drie vragen bij elk bericht. Wie heeft dit gemaakt, waarom zie ik het, en wat wil de maker dat ik doe?
Drie zones voor AI in het onderwijs: je eigen voorbereiding, de les met leerlingen inclusief adaptief werken, en het beoordelen van werk